taalverlies

EEN TAALVERLOREN MENS

Nadat ik een maand in coma gelegen had in een ziekenhuis, was ik toen ik eruit gekropen kwam, mijn taalvermogen geheel kwijt.
Ik wist de namen van de mensen rond mijn bed niet meer, alleen hun gezichten kwamen me ergens bekend en ook vriendelijk voor.
Ik herkende zelfs mijn eigen man niet, maar zijn snor kwam me familiair genoeg voor, dat gelukkig wel.
Ik wist ook mijn eigen naam niet meer, maar tot mijn opluchting was het best een leuke naam, waarmee ik voortaan ook met plezier verder kon leven.
Zonder naam bestaat een mens eigenlijk niet, kun je wel zeggen, je maakt naamloos niet veel meer indruk op een gezelschap dan een springende vlo.
Pam Emmerik de schrijfster, bestond op dat moment in het ziekenhuisbed niet langer.
De eerste Pam Emmerik die terugkwam was tekenares, ik tekende dag in dag uit. Het waren door mijn zware hersenbloeding ( die tot coma geleid had) opeens kindertekeningen geworden, maar per dag kon je zien dat ik ouder werd, totdat ik mijn fysieke leeftijd wederom bereikte, 42 jaar.
Zelfs in het revalidatiecentrum stond mijn laptop elke dag open op mijn kamer. En ik zat ervoor en ik keek naar wat ik voorheen allemaal geschreven had, en kon me niet voorstellen dat IK dat ooit had gedaan. Vlak voor mijn coma was ik namelijk een erg dikke roman aan het schrijven die ‘Wie het paradijs verdragen kan’ moest heten. Ik had al zo’n 350 pagina’s geschreven en dacht er nog 150 aan toe te moeten voegen.
Maar na mijn coma kon ik dat niet doen, want in het begin was zelfs de eenvoudigste zinnen normaal uitspreken nog een soort onontdekt gebied voor me. Ik stamelde slechts wat voor me uit, en de rest deed ik in een soort privé-gebarentaal, die iedereen om me heen pretendeerde goed te begrijpen.
Tot overmaat van ramp kon ik ook niet meer gewoon denken, en maakte mijn brein de meest waanzinnige gedachtensprongen. Zo dacht ik destijds in het revalidatiecentrum zeker te weten dat ik aldaar in een modern concentratiekamp verbleef, waar ik ook niet uit kon, en waar ze mij op een verderfelijke wijze zouden gaan ombrengen als ik niet elke minuut goed oplette.
Zelfs in mijn slaap diende ik vooral oplettend en vluchtwillend te zijn, wat er triest genoeg op neer kwam dat ik keer op keer uit bed kroop en vervolgens op mijn hoofd viel omdat ik nog niet kon lopen, zodat ze me voor mijn eigen veiligheid ’s nachts vastbonden in bed, wat mijn concentratiekamp-idee alleen nog maar versterkte.
Gelukkig voor mij en mijn gehersenspoelde brein, had ik nog mijn tekenkunst over, die tot mijn grote geluk eind 2009 al uitmondde in een werkelijk formidabele solotentoonstelling in Museum Schunck te Heerlen!
Nu is het dan een flink eind in 2011, en mijn coma is bijna 5 jaar geleden, en ik ben eindelijk een nieuwe roman aan het schrijven. En ik zeg u recht uit mijn hart dat tekenen wellicht mijn persoonlijke rijkdom is, maar dat de taal ons aller rijkdom is, de mijne maar ook de jouwe, en dat je dat pas waarlijk beseft als je de taal opeens kwijt bent (en ook niet weet waar je hem moet zoeken!)