Blij als een gebakken ei

 

Toen ik op een dag uit mijn coma kwam geplopt dacht ik dat de wereld veranderd was in één boos sprookjesbos. En nadat ik wakker geworden was, droomde ik nog ellendig. De mensen die zich ook in het bos bevonden, waren allemaal veranderd in konijnen, die ik totaal niet kon verstaan. Ze spraken een andere taal dan ik. Mijn gebrabbel verstond geen enkel konijnemens, de eerste weken. Ik hupte steeds dommig mee met de anderen, omdat ik niet uit de toon wilde vallen. Want dan werd je misschien geslacht. En geslacht worden ging me voorlopig te ver. Ik wilde eerst een heldendood beleven, met bloederig sterven en rollende ogen tot het allerlaatst, en als dat niet kon leefde ik gewoon nog een tijdje door.
Één konijne-ventje was duidelijk de baas over de anderen. Om bij hem in het gevlei te komen kroelde ik zijn koppie steeds opnieuw. Het was wel een geil baasje, vond ik in het geheim.
Na een tijdje ging het langzaam beter met me, zin voor zin maakte ik mijn bedoelingen aan iedereen duidelijk. De konijnemensen knikten vriendelijk scheel naar me en langzaamaan werden ze weer echte mensen, maar ik was er stomverbaasd over dat ze T-shirts droegen waarop scheelkijkende konijnen stonden afgebeeld. Het leek me nogal vervelend om iemand te ontmoeten die exact hetzelfde T-shirt droeg als jij, maar blijkbaar was die opvatting over klederdracht niet algemeen.
Ik volgde die mensen in de meeste van hun eigenaardige gedragingen. Daar werd ik moe van. Vervolgens viel ik als een blok in slaap. En dan droomde ik elke keer van mijn eigen hond, het was een bijzonder dier. Mijn hond Piet kon namelijk praten. Het liefst sprak hij in gedichten en het allerliefst waren die gedichten van hem Spaans.
Hij was van origine een Spaanse hond, een echte Galgo, een greyhound, die ik uit Spanje had meegenomen omdat hij bij zijn baas was weggelopen. Of hij was bij ze weggerend, want hij was zwaar mishandeld. Hij zat onder de littekens van messteken en sigarettenpeuken. De vieze vuilakken.
Het liefst citeerde hij de gedichten van Federico Garcia Lorca.
Ik genoot ervan als Piet die gedichten voordroeg en luisterde naar hem met gespannen oren, volgzaam als een scheel konijn.
´Toekomstige roos en ingehouden ader, amethist van gisteren en bries van nu, vergeten wil ik die´ bracht het lieve dier bijvoorbeeld op een regenachtige middag uit. Dat was het begin van een van de beroemde canciones van F. G. Lorca, die uit het begin van de twintiger jaren van de 20e eeuw kwamen. Of Piet kwam plotseling aan met een stukje van het Weense walsje, ook van F. G. Lorca, uit de cyclus ´Dichter in New York´.
´In Wenen daar wonen tien meisjes, een arm waar de dood op snikt en een woud vol duiven verdord. Er hangt een brokstuk ochtend in het museum van de rijp. En een zaal met duizend ramen.´
Onvoorstelbaar prachtig zijn die regels toch.
Ik vond het trouwens niet vreemd dat mijn hond in gedichten kon praten, de konijnen konden immers ook praten, hoe scheel ze ook keken. Maar gedichten voordragen, daarin was mijn hond bijzonder. Misschien konden overigens alle dieren wel praten en hielden ze alleen uit beleefdheid hun mond tegen ons, mensen.
´Ach,ach,ach,ach! Neem deze wals met gebroken leest.´ Dat gooide Piet er simpelweg eventjes tussendoor.
De Farao´s van Egypte hadden trouwens ook Galgo´s gehad, het waren tenslotte woestijnhonden. Ze werden hoger aangeslagen door de Farao´s dan hun eigen zonen. In de piramides liggen Farao´s zelfs gemummied met hun lievelingsGalgo naast zich. Ik zou mezelf ook graag willen laten verwerken tot mummie, maar ik geloof dat het verboden is in Nederland. Niks mag ook in dit land. En mummie worden mag al helemaal niet.
Soms vond ik het niet genoeg, de gedichten van F. G. Lorca alleen, en gooide er een gedicht van mezelf tegenaan. Ik had natuurlijk niet het talent van een gigant als F. G. Lorca. Prachtig was wellicht anders, maar ik meende wat ik schreef wel woord voor woord. Mijn werk deed me aan rappen denken. Niet dat ik nou zo´n grote rapkenner was, maar ik had het vaak gehoord op de radio. Geheel per ongeluk was ik een heuse rapdichter geworden. Stel je de beat er zelf maar bij voor.

De toekomst is ver weg
Als een spook
Ik weet niet wat daar is.
Ik durf er ook niet heen.
Het maakt me bang.
Ben ik vaak goddomme.
Bang bang bang gadverdamme bang.
Ik ben superbang door mijn ongeluk.
Ik had dood gemoeten toen.
Durven leven durfde ik vroeger wel.
Haha. Maar niet meer nu.
Nu wil ik alleen nog mooi dood.
Ik ben dagenvol bang
De dagen zijn ook erg lang.
Ze jagen me vreselijk op, die rotdagen.
Ik trotseer ze wel.
Maar ze pakken me stevig vast. Elke keer weer.
Pakken ze me, en schijten recht op mijn kop.
Shitty is dat en scheisse is het ook.
Wat me steeds troost is sterke koffie zetten.
Daarin ben ik een topper.
Een topper met een stinkend laagje angst, wel.
Dat geeft helemaal niks, vind ik.
Het resultaat, daar gaat het om.
En dat is goed, alle goden zijn gedankt.
De koffie is onveranderlijk zalig.
Spaansgoed. Ja en amen koffie is het.
Boeddha, Jezus en Mohammed etc.
Ik ken er niet meer. Ze zijn er vast wel.
Hartstikke bedankt allemaal.
Voor jullie steun bij het maken van koffie.
Want die redt me.
Kom eens kijken wat je er zelf van vindt.
Van mij. Ik denk heel mooi.
Zo bloot als een pasgeborene ben ik, yes yes.

Het ongeluk was een straf, zeiden mensen steeds weer tegen me. Ik beschouwde het ongeluk zelf niet als straf. No way. Straf was me helemaal vreemd. Brrr. Ik had ook de liefste ouders van de ganse wereld gehad. Kinderen bestraffen, daar geloofden ze niet in. En ze woonden in een huis dat van peperkoek gemaakt leek, zo popperig was het. Ze zongen de hele dag liederen. Voor elkaar zongen ze, en ook voor mij. Toen ik voor het eerst een musical zag moest ik meteen aan hen denken. Hun hele wereld was één musical. En mijn jeugd ook.

Dat werd schrikken toen ik het ware leven tegenkwam. Gelukkig was ik al vierentwintig toen dat gebeurde. Het ware leven heette Mister Scheldkopje, ik had er niet van terug. Ik hoorde zijn voortdurende gescheld stilzwijgend aan. Liefde heerste er niet tussen ons. We waren aan elkaar gewend, meer was het niet. We deden aan poepsex samen. Hij poepte dan op mijn buik en kwam vervolgens klaar. Vooral als zijn bolus een mooie acht vormde kwam hij flink klaar. Ik vond poep eigenlijk net zo fraai als goud, dus ik hield me voor dat hij gouden bolussen op mijn buik legde. Een keer bedankte ik hem daarvoor. ´Schijt kost niks, mop. Je kunt zoveel drollen krijgen als je maar lekker vindt´ antwoordde hij nogal grimmig.
Na de sex douchte ik altijd goed. Misschien had ik wel liever gehad dat hij ´golden showers´ over me heen pieste. Poep was tenslotte smeriger dan pies. Maar hij kwam heel lekker klaar na een drol op me gelegd te hebben en voor mij waren zowel pies als poep van goud. Al stond ik daarin misschien alleen. Van de gedachte liet ik me door niemand vanaf brengen, mooi niet. Als het ene van goud was, waarom het andere dan niet.
Vaak ook dacht ik aan mijn ouders. Maar ik dacht niet aan ze tijdens poepsex, dat vond ik een beetje onsmakelijk, gek genoeg.
Mijn vader en moeder waren drie weken na elkaar gestorven en door mij vlak naast elkaar begraven. Tijdens hun begrafenissen waren hun kisten overdekt geweest met een bloemenpracht. Dat hadden ze vast en zeker gewild, had ik zo gedacht. Het was een fraai gezicht geweest, die zee van bloemen. Bloemen houden van mensen en van mijn ouders hielden ze zeker.

Of poepsex wel van mensen hield, wist ik niet. Op een avond dat mijn 1e man niet thuis was, belde ik stiekem een telefonische hulpdienst, om het te vragen.
Een mevrouw aan de andere kant van de lijn vroeg aan me of ik sex met poep niet vernederend vond. En ze zei ook nog dat het volgens haar geen goud was, die drollen. Met tranen in mijn ogen hing ik snel weer op, zonder te antwoorden op haar vraag. Dat het geen goud zou zijn, die drollen, daar moest ik diep over nadenken. Misschien was ik wel gek. Bah. Zag ik overal koninklijkheid waar slechts het laagste van het laagste te vinden was. Wie zou het zeggen. Ik niet.

Ik mag het nu misschien niet zeggen maar ik zeg het toch weer. En opnieuw zeg ik het. Ik herhaal het zelfs steeds.
Ik moet de donkerte in mijn hart snel luchten. Want die donkerte weegt zwaar op mijn hart. Mijn hart is loodzwaar. Het is bijna te zwaar om in mijn borst te dragen. Maar je hart dragen moet je altijd, anders ga je de pijp uit. En dat wil ik nog niet. Dus zeg ik het wederom. Ik schreeuw het desnoods keihard uit.
Ik ben dolblij ben ik dat ik een erg ongeluk gehad heb. Een ongeluk waarbij ik bijna doodgegaan ben. Het lijkt niet iets om happy over te zijn, zo´n ongeluk, maar dat ben ik toch. Heel blij ben ik. Zo blij als een gebakken ei. Het ongeluk was misschien waanzinnig, maar ook interessant om mee te maken. Ik ben gelukkig dat het me overkomen is. Ik heb erdoor veel over het leven geleerd. Ik heb de ware liefde leren kennen, iets dat ik nooit meer had verwacht. Ik ben daarnaast gelukkig dat ik wekenlang in het ziekenhuis op de rand van de dood gezweefd heb. Ik heb eindeloos elegant gezweefd en gezweefd en gezweefd, maar ben toch niet in het ravijn van de dood gevallen.
Volgens mij leef ik door om de herinneringen aan het ongeluk na te kunnen vertellen, hoe moeilijk dat ook mag zijn.
Want moeilijk is het als je iets te vertellen hebt dat bijna niemand lijkt te willen horen. Mensen begrijpen mijn blijdschap over mijn ongeluk niet. En ik wil mijn vreugde erover niet stilhouden, want wat heb je nou aan verzwegen vreugde. Bijna niks, vind ik.

Het ongeluk dat ik hier bedoel, is drie jaar geleden gebeurd in Spanje. Het was een heus vakantieongeluk. Mijn 1e man en ik waren op vakantie in Spanje. Daar hadden we een bungalow aan zee gehuurd.
Op een nacht ben ik gaan slaapwandelen, en over een bijzettafeltje gestruikeld en megahard op mijn hoofd gevallen. Ik had een schedelbasisfractuur en een hersenbloeding en ik lag in coma.
Boing, boing. Klap. Doei. In die coma bleef ik een maand lang liggen.
De buitenwereld bestond niet meer voor me. Ik bestond niet eens als persoon. Ik was een soort ademende plant geworden. Een halfdode cactus of liever nog een verdorde agave.
Ik werd onmiddellijk naar het ziekenhuis in Valencia gebracht. Daar ben ik zes uur lang aan mijn hersenen geopereerd. Dat is me naderhand bibberfeit voor bibberfeit verteld door de dokter in Haarlem. Mijn eerste echtgenoot weigerde erover te praten. Het liefst had hij het bestaan van het ongeluk ontkend. Hij was het gewend om dag in dag uit in het middelpunt van alle aandacht te staan, en opeens stond ik daar ook. Dat vond hij balen. Hij werd er bloedchaggerijnig van. Het was een groot geluk voor me toen hij zich van me liet scheiden.
Volgens hem voldeed ik sinds het ongeluk niet langer als zijn vrouw. Koken kon ik niet goed meer, en in sex met hem had ik ook geen zin. Andere dingen deelden we niet samen. Triest als het misschien is. Pfff. Misschien is het naar, maar nauwelijks om te huilen. Mijn ogen blijven stokdroog. Ik was zijn huishoudster en persoonlijke sexbediende. Meer deelden we helaas pindakaas, chocoladepasta, aardbeienjam, niet. Vandaar dat onze scheiding geen groot verdriet voor me was. En dat nog steeds niet is.
Ik werd dagelijks meermalen door hem uitgescholden voor alles wat naar en lelijk was. Ik zou een opgedirkt bermkonijn zijn, een ijskoude beftante, een zwaar doorgedraaide tuthola.
Mijn eerste man schold me uit voor wat er maar voor zijn mond kwam als hij niet bovenop me poepte. Hoe kan een mens, want vrouwen zijn namelijk ook mensen, dat vind ik echt, nu een opgedirkt bermkonijn, alsmede al die andere dingen waar hij me van beschuldigde zijn. Dat lijkt mij teveel gevraagd. Zelfs van domme vrouwen.
We waren tien jaar getrouwd toen hij met zijn merkwaardige beschuldigingen kwam. We kenden elkaar destijds al ruim achttien jaar. Ik denk dat hij na mijn ongeluk een beetje op me uitgekeken was geraakt. Twee beetjes. Of zelfs meer.
Menigmaal ging hij over zijn nek. Van mij, dacht ik tranenloos. Laat maar rustig kotsen, die sukkel, dacht ik ook nog.

Overigens vond ik snel een opvolger voor hem. Een jeugdvriend van me kwam bij me op ziekenbezoek en was vervolgens niet meer weg te slaan. Hij trok bij me in huis. En toen gingen we naar het Stadshuis. Opeens was ik weer getrouwd. Ditmaal stralend gelukkig.
Mijn liefje vond het niet erg dat ik niet altijd bij de les was, en hij was tot mijn verbazing ook nog dankbaar voor mijn ongeluk. Dat deelden we samen, die dankbaarheid. Al hadden we dan andere gronden voor onze dankbaarheid.
Onder het genot van een glaasje wijn of twee of wel drie, spraken wij er vaak over. ´Zonder dat gekke ongeluk had ik je nooit gekregen, moppie van me´ kweelde hij aangedaan tegen me.
Hij was een flitsbink om te zien, hij verdiende goudgoed als antiekhandelaar, hij had een groot huis aan het Spaarne, hij bezat twee mooie auto´s. Dus hij kon zo´n beetje iedere vrouw krijgen. Maar hij koos mij. Hij was mijn eigen schatkist.
Het enige aan hem dat ik minder vond was zijn voorkeur voor enge films. Maar daar viel mee te leven als het moest en het moest nu eenmaal. Dus keken we samen tv. Het liefst keek hij gehuld in een kanten setje met jarretelles en aan zijn voeten droeg hij hoge hakken. Hij was een enthousiast travestiet. Gelukkig kleedde hij zich alleen thuis als vrouw. Hij had een hele kast vol jurken, nog meer dan ik. Buiten de deur deed hij zich altijd voor als man.
De engste film die we samen zagen was over een Amerikaans gezin waarvan de vader zag wanneer mensen door de duivel overgenomen waren. Hij moest die lui vermoorden. Zijn oudste zoontje geloofde niet in de hemelse opdracht van zijn vader. Hij vond hem een moordenaar. Zijn vader sloot hem daarom zonder eten of drinken op in een hok, ergens achter in de tuin. Gek genoeg werd de jongen toen hij volwassen werd, zelf ook moordenaar. Die Amerikaanse films zijn niet altijd begrijpelijk voor de gewone mens.
Soms dacht ik dat mijn man ook een moordenaar was en dat hij daarom dol was op die enge films. Toen ik het tegen hem zei viel hij pardoes flauw. Hij lag met jarretelles en al voor bonen op de grond en werd niet meer wakker. Ik was bang dat hem een interessanter ongeluk overkwam dan het mijne. Daarom kneep ik hem keihard in zijn billen. Daarvan kwam hij weer razendsnel bij.
Als ongeluk telde flauwvallen gelukkig niet zwaar. Ik was de enige van ons tweeen, die een ongeluk had op zijn lijstje. Ik bleef trots.

Mijn eerste huwelijk beschouwde ik achteraf maar als een lange jeugdzonde. Ik begreep niet dat ik het zolang met mijn eerste echtgenoot had uitgehouden. Misschien werkte mijn hart niet goed in die tijd, kon het alleen maar stom doorbonken, verder niks meer doen.
Ik legde mijn nieuwe man mijn levensvisie uit.
´De grenzen van de wereld veranderen voortdurend´ begon ik mijn betoog. Wat ik daarmee exact bedoelde wist ik zelf ook niet, maar het klonk serieus. Mijn 2e man knikte begrijpend, de lieverd. Daarna hadden we sex, zonder poep erbij.

Ik had een pratende hond die zich in gedichten uitte en mij daardoor aanzette om ook gedichten te schrijven, zodat ik er inmiddels al 300 had.
En daarnaast had ik al de herinneringen aan mijn ongeluk en de tijd erna. Mijn ongeluk was saai maar het resultaat niet. Coma. Bijna dood. Tijdelijk niet meer kunnen praten of lopen. Ik had het allemaal meegemaakt en was er baaie trots op. Ik zou het graag nogmaals meemaken, maar dat gebeurde helaas niet, wat of ik ook probeerde. Ik viel en ik viel me suf maar één ongeluk vond de Voorzienige blijkbaar genoeg voor mij.

Ik vertelde vaak over mijn verlangen naar een nieuw ongeluk aan de nachtzuster in het revalidatiecentrum waar ik na het ziekenhuis heen was gebracht. Soms bondt ze me vast aan mijn bed met een leren riem rond mijn middel, omdat ze bang was dat ik weer zou vallen. Ik kon haar niet duidelijk maken dat ik niets liever wilde dan vallen. Ze vertelde mij over haar eigen grote liefde. Ze hield namelijk veel van engeltjes.
´Ben ik ook een engeltje van je´ vroeg ik voor de zekerheid aan haar. Je wist maar nooit. Misschien was ik zelfs wel een gezant Gods, daar lieten engelen zich toch vaak voor inhuren.
Maar ze zei dat ik wat haar betrof meer van een duiveltje weghad. ´Wie is er nou blij met zo´n zwaar ongeluk, dat kan toch alleen je vriend de duivel je ingegeven hebben´ hield ze nachtzusterig aan.
Nee, zij had het over echte engeltjes die gek genoeg ook in het konijnenbos woonden. En daar had ze ´ketak´ mee. Het woord ´contact´ kon ze niet goed uitspreken, in haar arme moeie zustermondje werd het ´ketak´. Ik begreep wat ze bedoelde, en daar ging het toch om. Ik vroeg haar of die engeltjes van haar mij misschien konden helpen. ´De duivel kan een schop krijgen van me´ zei ik er stoer bij. Ze knikte en zei ´natuurlijk, helpen doen ze waarschijnlijk wel. Ik zal ze roepen, dan kun je het ze meteen vragen, okay´.
Ze riep ´bliepbliep´ alsof ze een kapotte radio nadeed. En binnen 10 seconden verschenen er twee engeltjes. Ze leken sprekend op haar. Volgens mij had ze haar kleinkinderen ontvoerd en uitgedost als engeltjes, om een beetje indruk te maken op mij.
Ik legde het duo mijn hartevraag voor. Daarop renden ze onmiddellijk weg, het stel gekken. De nachtzuster zei dat mijn vraag hen aan het schrikken had gemaakt en haar trouwens ook. ´Maar ik vroeg ze alleen maar om een nieuw ongeluk´ zei ik zo onschuldig als wat. De nachtzuster schudde haar hoofd en antwoordde dat engeltjes er niet voor waren om mensen ongelukken te bezorgen. Dan moest ik de duivel maar aanroepen, en daar deed zij niet aan. Engelen kon ze leveren, maar duivels niet, nee. Echt niet. Vastgebonden en wel was ik erg bang.
Sinds het ongeluk was ik toch al vreselijk bang. Dat werd vastgebonden nog erger, die angst. Ik probeerde dan aan andere dingen te denken, aan konijnen, of aan lieve poeploze sex, ik dacht zelfs af en toe aan moordfilms. Brrr. Maar niets hielp me. Ik bleef bang. Ik smeekte de zuster om me los te gespen. Dat verrekte ze. Ze was bang dat ik weer zou vallen. Dat ik daar juist op hoopte verzweeg ik maar voor haar. Anders zou ik mijn leven lang vastgebonden in die stomme kliniek liggen en dat wilde ik niet.

Ik besloot alles te doen zonder hulp van buitenaf. Mogelijk zou ik weer omvallen en een zware hersenbloeding hebben, op een uitverkoren nacht gebeurde dat hopelijk. En anders zou ik de herinnering aan mijn eerste val stervenslevend zien te houden.
En ik zou er niet één maar wel tien gedichten over gaan schrijven. Misschien maakte ik er vervolgens wel een boekje van. Dit was mijn lievelingsgedicht. Dat had ik al geschreven en zou ik op de eerste pagina van het boekje zetten. Ernaast zou een foto komen van mijn 2e man, die alleen maar onscherpe foto´s maakte van bloemen. Dat vond hij artistiek. Tja. Gelukkig vond ik ze ook artistiek, dat scheelde ons weer een ruzie.

Voorzichtige viering van mijn eigen bijna-dood, luidde de titel van mijn favoriete gedicht.

Eerst sliep ik. Toen liep ik en toen viel ik.
Ik brak mijn kop doormidden en was ook nog bijna dood.
Tweeenveertig en een half was ik, een beetje jong dus om te sterven.
Om tot sullig stof neer te dalen zou ik wel moeilijk vinden.
Dan maar liever een huisje zijn voor kronkelmaden
die kunnen lekker rondkrioelen in je.
En talentvol was ik trouwens ook nog eens, by the way,
Heel veel gedichten heb ik helemaal zelf geschreven
Daarom kwam de ambulance in Spanje razendsnel.
Ze trokken mij al mijn kleren uit.
Dat helpt hoor, naaktheid helpt altijd goed.
Bij zo´n beetje alles wat je bedenkt, zelfs bij sterven helpt het.
Alle kwalen verdwijnen onder blote huid.
Ik werd geopereerd in een ziekenhuis
Mijn hoofd deed er erge pijn.
Mega vuile pijn zelfs.
En ik lag een maand in coma.
Die maand dacht ik aan niets, aan nada dacht ik en aan nothing ook.
Een peu dacht ik aan niente.
De dokters zeiden dat ik op sterven lag.
Aju paraplu.
Toen ik uit coma kwam, lekker puh, was ik net een grote baby.
Ik kon niet praten en niet lopen, niks kon ik meer.
Ik moest alles leren, ik leerde me helemaal kapot, niet suf.
Snel kon ik alles weer.
Echt alles.
Iedereen zei hoera tegen me, hoera lieveling, zeiden ze.
Niet iedereen zei het.
Mijn eerste echtgenoot verrekte het.
Ik zette hem buiten de deur. Hoera.
En mijn levensmotto is sindsdien tweevoudig:
Laat de teven maar vet sterven.
Ik blijf lekker hier.
Een voorzichtige viering van mijn eigen bijna-dood is het wel.