boerka

Je bezoekt tentoonstellingen, leest artikelen, essays, interviews, en ergert je dood. Die ergernis gaat ontsteken en dan zweren. Uiteindelijk loop je rond met zo’n zweer in je lijf, tot hij openbarst en er allemaal mini-kunstcritici uitvallen…gatver…

Al jaren erger ik me dood aan de verwijten die kunstcritici kunstenaars maken en ik erger me niet alleen, ik word er ook bloeddorstig van. En dan spreek ik niet over een elegant pietsje bloeddorst maar over pinten vol donkerrode bloedwoede…

Naast de afvalberg verwijten is er nog iets dat me stoort aan kunstcritici en dat is hun hooghartigheid. Nu weet iedereen dat hooghartigheid de sluier van de onzekerheid is, die dat gebrek nauwelijks verhult, en die onzekerheid is denk ik ook terecht.

Het niveau van de kunstbeschouwing blijft over het algemeen achter bij het niveau van de kunst die ze tracht te beschrijven.

Voor mij gaat kunst over een betovering van de materie.

De noodzaak van die betovering, die tevens de noodzaak van de kunst is, ligt besloten in het feit dat wij mensen zelf ook betoverde materie zijn.

Zie toch, hoe fraai het sterrenstof schittert op onze kruinen!

Helaas zitten we tegelijkertijd ook opgesloten in die betovering, alsof het een banvloek van de goden is geweest. Om die banvloek op te kunnen heffen hebben we een intense behoefte ontwikkeld de diepte van ons wezen weerspiegeld te zien. Die behoefte gaat ver, ontziet niemand of niets.

Mensen zijn ons niet genoeg als weerspiegeling, dieren zijn ons niet genoeg als weerspiegeling, ook de dingen zullen er aan moeten geloven. Als op hol geslagen zielejockeys wensen we onze innerlijke roerselen te projecteren op alles in de wereld.

En soms lukt het, dan ontstaat ware kunst. Die kunst dient vervolgens beschreven te worden, geduid, ondergebracht ergens in de geschiedenis. En daar zijn dus de kunstcritici voor geboren.

Maar het uitdrukken van de betovering van de materie die van gewone dingen kunst heeft gemaakt, kan wat mij betreft alleen in een taal die de evenknie is van die kunst, een taal die zelf betoverend is in denkkracht, associatievermogen, opbouw en een eigen metaforiek heeft als taalelastiek.

Die kan bulderen als een orkaan, maar zich ook als een lieve leeuw neervleit naast het angstige lam.

Kunnen critici al die registers niet bestrijken, dan past hen niets dan nederigheid. En beslist geen berg stinkende verwijten over de hoofden van kunstenaars gaan uitstorten, alleen om de aandacht van het eigen onvermogen af te leiden.

Praktisch gezien denk ik dat het probleem is dat veel kunstcritici misschien wel vakkennis bezitten, maar noch een journalistieke opleiding noch een literaire achtergrond hebben, dus zowel de vaardigheid als de vonk van het talent missen om goed te schrijven.

Kunstcritici zijn gewoon niet toegerust voor de belangrijke taak die ze hebben, om te fungeren als verbindingsofficieren tussen kunstenaars en publiek.

Zeker bij kunst die vers is, heet van de naald etc. is het uiterst belangrijk dat in begrijpelijke taal aanschouwelijke verbanden gelegd worden en daarmee de opvatting dat moderne kunst toch allemaal onzin is op voorhand bestreden wordt.

Cynisme (de boerka van de onzekerheid) helpt daar niet bij.

Dus snel oprotten daarmee!

 

Pam Emmerik