beschermengel

HET VOORVOCHT VAN EEN BESCHERMENGEL
Pam Emmerik

De ruimte is in duister gehuld.
Twee figuren: D, een jonge man en M, een oudere vrouw. Ze bevinden zich in een souterrain dat omgebouwd is tot een luxueuze huissauna plus bar en relaxruimte, in ‘Gaucho’-SM sfeer, versierd met koeienhuiden en stierenhorens, indrukwekkende zwepen en maskers. De barkrukken hebben paardenzadels als zitting.
De ruimte ziet er slordig, ongebruikt uit. Langs een muur is tuingereedschap uitgestald, een vuilnisbak, lege flessen staan op tafel, er liggen een paar opgerolde touwen en kettingen. In een donkere hoek is een nis met tralies ervoor.
Terwijl D en M spreken gaat het licht langzaam aan.

M: Het was een maanverlichte nacht.
D: Het was geen maanverlichte nacht.
M: Het was een maanverlichte nacht.
D: Nee, het was geen maanverlichte nacht.
M: Wel
D: Niet
M: Wel.
D: No way, echt niet.
M: Hoe maanverlicht moet maanverlicht volgens jou zijn om maanverlicht genoemd te mogen worden?
D: Stralend napelsgeel, een afgetrainde schaduw van de zon.
M gnuift.
D: Oogbeglanzend helder. En zo was het die nacht niet.
M: Ik zag genoeg. Meer dan genoeg. Ik zag jou. Je lag op de grond, omkranst door glasscherven. Het was alsof je sliep. De maan scheen op je gezicht. Nu gnuift D. verontwaardigt, M. herhaalt de zin Ja, de maan scheen op je gezicht. Op je wang zat een diepe snee. In je haar zat glas. Je leek een gekatapulteerde prins, dwars door het kelderraam heen mijn souterrain in geschoten, als een kostbaar geschenk.
D: Ik was een inbreker. Een echte. Ik had een koevoet. Ik had slechte gedachten. Ik had darmdruk.
M negeert D., wendt zich rechtstreeks tot het publiek: Hij was zo mooi en stil. Een schone slaper met flonkerende glasscherven in zijn haar. Dat ontroerde me. Ik was niet bang voor hem al had ik dat misschien wel moeten zijn maar ontroering laat geen ruimte voor angst. Ontroering overmant je. Het is een imperialistisch gevoel. Dwingend. Een begerige dictator. Stilte.
Ik keek naar hem en zag dat zijn lippen trilden. Ik wilde er een kus op drukken maar ik deed het niet want ik wilde hem niet laten schrikken en bovendien had ik die avond knoflookbrood gegeten, minstens zes sneden. Ik walmde vast als een salami. Peinzend: Ik wist ook niet zeker of ik echt wilde dat hij wakker zou worden…de koelte van zijn slaap …waarin vochtigblauwe dromen zich om hun as wentelden… …tot een van die dromen in een vogel veranderde…en die vogel een vraagteken werd dat de naam van zijn mond vroeg…de naam van zijn mond… zijn lippen waren van het diepste gewonde roze …als een primitieve roos. Ze kijkt D aan.
D: Wat klets je toch allemaal, ik was een inbreker, een gulzige inbreker. Dat is de werkelijkheid.
M: De werkelijkheid is maar wat je er in ziet. En ik zag iets bijzonders in jou. Niet alles in deze wereld stinkt naar verbrand rubber. Niet elke maaltijd is bedorven, niet elke zeehond neergeknuppeld, niet iedere zee vervuild. Natuurlijk moet je hindernissen nemen voordat je kunt zien hoe mooi het leven is. Waarschijnlijk bestaan er meer hindernissen dan er mensen zijn op aarde. Moord, marteling en stront bestaan. Je kunt geen smeerlapperij zo erg bedenken of het bestaat. In Zuid-Afrika vegen met AIDS besmette mannen hun zieke geslacht af aan babykutjes in de hoop op die manier te zullen genezen. We leven in een driedimensisionaal visioen van de hel. Maar waarom zou je je daardoor laten tegenhouden? Generaal Patton heeft gezegd: ‘de nazi’s zijn de vijand, waad dwars door ze heen!’ Waad dwars door ze heen! Achter alle ellende gaat een andere gestalte schuil. Met betere mogelijkheden en vers licht en nieuwe plannen. Zoek de blauwe vogel van het geluk! Dat laatste heb ik trouwens uit een liedje. (Ze begint zacht ‘bluebird of happiness’ te zingen).
D: Jezus mens, ik was een inbreker, een lamlul die je spullen wilde jatten en als dank daarvoor gescheten zou hebben op je kostbare Perzische tapijt.
M: Je hebt niets gestolen dus voor mij ben je geen inbreker. En het tapijt is ook nog steeds schijtvrij.
D: Je bent ongelooflijk!
M: Dank je, jij bent ook ongelooflijk!
D: Ik bedoel dat je niet goed snik bent.
M sereen glimlachend: Dank je toch wel.

Er klinkt muziek. D maakt een buiginkje en reikt M zijn hand. Ze staan doodstil naast elkaar. Het licht dooft uit. Een paukeslag, gevolgd door een bliksemflits. Tijdens de bliksemflits maken D en M tegelijkertijd een sprongetje; ze ‘flashen’ achteruit in de tijd.

Op een groot tv-scherm dat aan de muur hangt is een bijna volle maan te zien.

Volgt een hoorspel: eerst zacht aanhoudend geknerp, een zucht, getik en geknars. Een fluisterend uitgesproken schietgebedje. Dan een hoop lawaai, werkelijk oorverdovend; het geluid van brekend glas, versplinterend hout, een doffe bons.

D gaat op de grond liggen. Er klinkt muziek. M buigt zich over D heen en strooit glas rondom hem. Ze kijkt naar hem. Op het tv-scherm verschijnen achtereenvolgens beelden van een schone jongeling op een klassiek schilderij, van een hondepuppy, een ongenaakbare manlijke mannequin in chique kleren, van James Dean, een Palestijnse zelfmoordactievoerder, van de Indiase god Shiva met een koe. De muziek gaat over in luid geloei, terwijl het laatste beeld, dat van een grote stenen fallus, zichtbaar wordt. D ontwaakt.

M: staccato Hoe voel je je/ en wie / wat doet je hier waarom/ je bent toch niet gevaarlijk hè, mes, pistool, zachte koele moordenaarshanden/ D. schudt zijn hoofd. Nee?/ dat is mooi/ duikdiepe opluchting hoor/ wil je drinken/ wil je wat drinken/ wat wil je drinken/ ze wijst naar het barretje: stevige borrel/ whisky-wodka-gin-cognac-tequila/ mix/ something on the rocks sometimes/ heb geen ijs hier/ is dat erg/ erg of niet…D probeert overeind te komen maar dat mislukt.
M: of drink je niet/ glas water dan /fris water maar beter ook / een flinke smak gemaakt / ergens pijn/ gebroken/ gekneusde enkel/ hersenschudding misschien. Ze steekt drie vingers op en zwaait ze voor David’s neus heen en weer: hoeveel vingers steek ik nu op? D antwoordt nog steeds niet, M zucht diep. Als ik zenuwachtig ben dan blijf ik praten, praten, praten, straks raak je weer bewusteloos, maar dan van mijn geklets. ‘Ze praat met gemak vijf kwartier in een uur vol’ zei mijn vader altijd over mij en mijn man nam die uitdrukking van hem over na onze huwelijksreis. ‘Ze praat vijf kwartier in een uur vol. Met gemak.’ Het enige dat híj antwoordde was ‘mm’, alsmaar ‘mm’, een enkele keer afgewisseld met ‘mwah’. Dat was een gebeurtenis, als mijn man eens ‘mwah’ antwoordde.
D: Was dat niet heel… M onderbreekt hem: Mwah. Mwah. Mwah. Daar keek ik van op. Dan wist ik dat ik zijn aandacht had. Dat gaf mij moed mijn verhaal af te maken, het misschien een beetje aan te dikken, in de stille hoop op nog zo’n ‘mwah’ of, als dat er niet afkon, een belangstellend ‘mm’. M demonstreert hoe een belangstellend mm klinkt: ‘mm!’ Dat is het soort mm waar ik op hoopte. Ruim dertig jaar lang heb ik op een huwelijksdieet van mm’s en mwah’s geleefd. Mm. Mm. Mm. Mm. Lichtstraaltje Mwah. Mm. Mm. MM. MM! EEN ZELDZAAM FABELACHTIG MWAH! MM! MM! MMMMMMMMMMMMMMMMM MMMMMMMMMMMMM! Het hummen begint op kermen te lijken, M vermant zich: Wanneer we uit eten gingen zag ik andere oude echtparen verveeld zwijgend tegenover elkaar zitten –net opgewarmde lijken- en dan prees ik me gelukkig met mijn huwelijk. Bij ons zweeg maar de helft, dus haalden we altijd nog een score van vijftig procent. D, nog steeds zittend op de vloer, probeert onopvallend naar de deur toe te schuiven. Ik denk soms dat teveel praten ook een spraakgebrek is. Een vulkanisch spraakgebrek. Een omgekeerd soort stotteren. In plaats van te blijven haperen bij elke lettergreep stromen de woorden er als lava uit. En het enige dat in staat is de woordvloed te keren is zingen. Als ik zing dan vloeit alle spanning uit me weg, dan komt mijn vulkaan tot bedaren. Net als bij stotteraars trouwens, die stotteren ook niet wanneer ze zingen. M zucht diep en begint ‘Fly me to the moon’ van Frank Sinatra te zingen: ‘Fly me to the moon and let me play among the stars…mijn vader zei altijd dat ik de sterren van de hemel kon zingen…mijn man zei dat nooit tegen me, jammer genoeg. Op onze huwelijksreis heb ik wel voor hem gezongen, maar hij… D is vlakbij de deur en doet een gammele ontsnappingspoging, M reageert ijzig kalm: die deur zit op slot, hoor.
Ze zet ‘Fly me to the moon’ opnieuw in. D zit doodstil en luistert. Na het liedje maakt M een buiging maar D applaudisseert niet. Ze kijken elkaar een minuut lang zwijgend aan.

Op het videoscherm doet iemand voor hoe je een tonijn schoonmaakt. M en D kijken toe. D maakt onderdrukte snikgeluiden.

M geïrriteerd: Moet je huilen om die vis? D snikt luider, M loopt naar de bar en schenkt een borrel voor hem in, ze duwt het glas ruw tegen zijn lippen: Hier, drink op.
D drinkt, verslikt zich, geeft dan over op M’s voeten.
M neemt D geringschattend op: Je komt hier midden in de nacht binnenvallen, zegt geen stom woord, begint te huilen en kotst dan mijn tenen onder. Dat noem ik niet beleefd. Dat noem ik niet aardig. Dat noem ik niet nobel. Wat voor een troebele prins ben jij eigenlijk? Is jouw koninkrijk de goot? Een monarchie van drab en duisternis? vilein: Heeft een rat soms je moeder bevrucht?
D pakt M ruw vast.
D: Kut hè, laat mijn moeder er buiten!
M spottend: Jouw moeder kut…is dat een geval apart?
D: Laat mijn moeder’s k…hij krijgt het woord kut opeens niet gezegd er buiten!
M agressief: Mannen, allemaal willen ze hun moeder’s kut er buiten laten, terwijl dat nu juist niet kan. Alles begint bij je moeder’s kut, jongen. Mannen komen uit een vrouwenkut en ze gaan in een vrouwenkut, hun hele leven lang, tunnel in tunnel uit, blind er op los levend als geile mollen, ze kunnen niet zonder, en dan nog willen ze hun moeder’s kut, de basiskut, de kut der kutten, de topkut er buiten laten. Mijn man…ze bedenkt zich: dus jouw moeder is een geval apart…vertel me alles over die moeder van jou…ik luister…we zitten hier nog wel even…want jij kunt niet weglopen…en ík wil niet weglopen…luchtig: beschouw het maar als losgeld. Elk verhaal dat je me vertelt zal je een stap dichter bij je vrijheid brengen. Voor wat hoort wat. Boter bij de vis, jongen. M kijkt verwachtingsvol naar D, die naar de grond staart.
M na lange stilte: Sorry als ik je moeder beledigd heb. Ik heb een scherpe tong soms. Mijn vader zei altijd: ‘je hebt een tong als een scheermes’. En mijn moeder zei het ook. En mijn man. Mijn vriendinnen. Ze denkt na: mijn neef Jan. De buren. Mijn huisarts. Mijn tennisleraar … de bakker ook…
‘Je hebt een tong als een scheermes/ als een scheermes/ een scheermes/ mes/ mes/ mes.’ En als mensen het niet zeiden dan dachten ze het wel. Ik weet niet waarom het is. Misschien heeft het vele praten mijn tong geslepen. Ze steekt haar tong uit en geeft er een harde mep op: rotding! Kreng! Ze slaat haar hand voor haar mond: Verdomme, ik bloed!
D moet lachen. M, ondanks zichzelf, lacht ook. Ze loopt naar de bar en schenkt zichzelf een whisky in, steekt een sigaret op.
M als bardame, sigaret in mondhoek: Wat mag het zijn?
D gaat met de zwier van een kreupele gangster aan de bar zitten: scotch for me, baby.
Er klinkt zachte jazzmuziek; Archie Shepp zingt: ‘A flower is a lovesome thing’. Ze drinken en luisteren naar de muziek. M werpt D een kushandje toe.

Pief-pafgeluiden die steeds harder worden. Op het videoscherm wordt een gewelddadig computerspel vertoond.
D: Mijn moeder was ziek en nu is ze dood. Ze was mijn hele leven ziek en zal de rest van mijn leven dood zijn. Ze had een rotziekte, hij zegt iets onverstaanbaars in het Latijn… voor zover er ook fijne ziektes bestaan. Hij herhaalt de onverstaanbare naam: …is een ziekte van het zenuwstelsel. Het zenuwstelsel is letterlijk kapot aan het gaan. Het kan geen prikkels meer doorgeven. En alles in het leven is een prikkel, zelfs ademhalen. Hij zucht.
Alles putte mijn moeder uit. Aankleden. Tandenpoetsen. Haar kammen. Theedrinken. Nadenken. Lezen. Ze zei dat het voortdurend kermis was in haar hoofd, met botsautootjes, draaimolen, spookhuis en achtbaan dwars door elkaar heen. Een klere-tyfus-tering-pokken-shit-kut-kloteherrie.
M: En wat deed ze dan de hele dag?
D: Niets. Ze kon helemaal niets. Ze kon niet lezen, niet tv-kijken, niet telefoneren, geen bezoek ontvangen, geen muziek luisteren. Behalve naar het ziekenhuis, ging ze nergens heen. Meestal lag ze in een verduisterde slaapkamer uit te rusten. Ze was haar eigen gevangenis. Een rotleven had ze. De hel, dat ben je zelf’ zei ze altijd. Ik vond dat het klonk als een songtekst van een hardrockband. Zingt grommend: ’de hel, de hel, de hel, dat ben je zelf’.
M: En je vader, wat was dat voor iemand?
D: Mijn vader was groot en sterk
Op foto’s droeg hij een zwarte ringbaard
Hij was stuurman op de grote vaart
Zijn naam was Dirk
Zijn bijnaam was ‘69’
Hij at graag kip en
Toen ik drie was heeft hij zich doodgedronken.
Voegt er aan toe: Dat van die kip en die bijnaam hoorde ik pas veel later, van mijn oom Theo, zijn broer.
M grijnzend: Waarom had je vader die bijnaam?
D kortaf: Bedenk dat zelf maar.
M: Ik wil het van jou horen.
D: Hij was een rekenwonder, nou goed?
M melig: Ik weet niet of dat zo goed is, wat vind jij?
D mompelt wat en gaat dan verder met zijn verhaal:
D: Ik hield van mijn moeder, maar ze was niet bepaald een modelmoeder. En ook geen modelzieke. In stilte lijden had haar belangstelling niet. Ze huilde graag, ze klaagde vaak, vooral over mij. Dat ik zoveel herrie maakte, veel te hard praatte. Op den duur deed ik alles om stil te zijn. Ik at zelfs geen chips meer vanwege het gekraak. Ik begon het geluid van mijn ademhaling en het kloppen van mijn hart te verafschuwen. Bonk!Bonk!Bonk!( Slaat met zijn vuist op zijn borstkas). Leven is lawaai. Mijn lawaai putte mijn moeder uit. Als het technisch mogelijk was geweest had ik mijn lichaam voor haar in winterslaap gebracht.
Want ik was nooit stil genoeg. En als ze last van me had kon ze vreselijk van streek raken. Vervolgens verergerde haar toestand en sloop ik dagenlang als een berouwvolle schaduw door het huis. Alles was mijn schuld en ik wist het tot in mijn tenen. Nadat mijn moeder weer was hersteld was het een kwestie van aftellen tot het moment dat ik even vergat op te letten en zij opnieuw een instorting kreeg. Ik begon mezelf te zien als een reuzenprikkel, die ooit een dodelijke uitwerking op haar zou hebben.
M: Een tikkende tijdbom, tiktak, tiktak, tiktak, knal!
D: Ja, mijn moeder was een zombie from hell en ik een lethal weapon. Een wandelend moordwapen. Samen hadden we bij de film gekund. Hollywood, here we come! Was ik nu rijk geweest. Fucking stinkend rijk. Hij zwijgt. Ze is plotseling overleden. Voegt er nadrukkelijk aan toe: ik was niet thuis, die dag. Ik was er niet bij toen het gebeurde.
M: Rot voor je.
D: We wisten dat het kon gebeuren.
M: Toch rot voor je.
D: Haalt stoer zijn schouders op: Maar beter ook….Voor haar.
Het computerspel neemt in volume en heftigheid toe. D imiteert de geluiden, met een woede die M onthutst: SWOOSH! KRANG! KRSSSJT! PANG! PANG! UIEIEIEIEIEIEIEI! KSJJJ! WIEWIEWIEWIEBOINK! RATATATATA! RATATATATATATATATA! HINGHINGHING! IEIEIEIEIEIEIE! WHAM! BWOE! KILL! KILL! KILL! M zet het videoscherm uit. Stilte.

D uitgeput: Hoeveel stappen naar de vrijheid is dit verhaal je waard?
M: Laten we zeggen dat je goed op weg bent.
D: Meer niet?
M: Meer niet.
D: Ik begrijp het al.
M: Wat begrijp je ‘al’?
D: Je wilt me zien bloeden.
M staat met haar rug naar de zaal, maar draait zich plotseling om en kijkt het publiek aan: Dat wil toch iedereen, jongen. Iedereen wil bloed zien. Kijkt D weer aan: Eerst komt de bloeddorst en dan de moraal. Het is niet genoeg om de korst van de wond te krabben. En het is ook niet genoeg om de wond met een verlept slablaadje op te dienen. Mensensaus zien weglekken, dat is wat we willen. Het leven is één grote ketchupreclame. Bloed is bewijsmateriaal. Het bloedspoor van de één bewijst aan de ander dat hij op het goede spoor zit. Dat hij leeft. Echt leeft. Mensen zijn vampiers. Als jij doodbloed, leef ik op en als ik bloed leef jij intenser. Jouw bloed doet mij goed en mijn bloed doet jou goed en (wijst op het publiek) ons bloed doet jullie goed.
M en D: Bloed doet goed! Ze gaan naast elkaar staan. Kijken het publiek aan en stoppen capsules in hun mond en neus, breken ze open en terwijl het bloed langs hun kaken loopt maken ze danspasjes en herhalen glimlachend: Bloed doet goed! Bloed doet goed! Bloed doet goed! Goed bloed doet goed! Goed bloed doet goed. Goed bloed doet je geilgoed!
Hierna loopt D naar de bar, pakt een barkruk, zet die midden op het toneel en gaat erop zitten. Er klinkt muziek alsof we in een café-chantant zijn. M gaat ondertussen aan de bar zitten en wrijft haar gezicht schoon met een handdoek. Met bebloed gezicht begint D bijna teder te vertellen: na de dood van mijn moeder hield ik het thuis niet langer uit. Het was er stil, zo stil, en op een dag vloog die stilte me als een demon met scherpe tanden naar de keel. D doet de strijd met de demon voor, leeft zich daarbij zo in dat hij van de barkruk valt. De strijd zet zich op de grond voort.
M ongeduldig: Jaja. En toen?
D op zijn knieën: Ik was nog te jong om te leren leven met mijn demonen en ben weggevlucht, naar de stad. Daar bracht ik mijn dagen door in coffeeshops waar ik voor een klein bedrag mijn geheugen afkocht, of me onderdompelde in het lawaai van speelhallen. Lawaai troostte me. Fuck stilte! Ik voelde me thuis in die speelhallen, eindelijk was ik in de hel van mijn moeder beland. Hij zingt zachtjes ‘de hel, de hel, de hel, dat ben je zelf’. Het geld van mijn erfenis gloeide in mijn zakken en ik vergokte het opgelucht. Ondertussen stapelden de schulden zich op. Toch kwam het als een schok voor me toen ik uit mijn huis werd gezet. Wekenlang zwierf ik door de stad. Op een regenachtige dag liep ik een speelhal binnen om te kijken hoe anderen hun geld vergokten. Ik werd aangesproken door een man. Het viel me zwaar om met hem te praten, ik denk dat mijn tong verzwakt was van het lange zwijgen. Zwijgt. Ik ben met de man mee naar huis gegaan. Pauze. De volgende dag voelde mijn achterste aan als een lekgereden fietsband.
M: viel je op mannen?
D: nee, alleen op hun geld.
M grinnikend: dat vergoedde de roede, bedoel je?
D Niet echt. Na een paar weken verdroeg ik de aanrakingen van de man niet meer. Hij praatte nauwelijks met me, gaf alleen bevelen: ’zuig me af, naai me, zet theewater op.’ Algauw stond ik weer op straat. Ik wist dat ik iets moest doen. If you wanna do something, you gotta do something. Van het geld dat de man me had gegeven besloot ik een advertentie in de krant te zetten. Het duurde niet lang voordat de telefoontjes binnenkwamen. De eerste avond dat ik bij een klant aanbelde was ik nerveus, maar zij bleek nog nerveuzer…
M schril: Zij?
D: Ja, zij. Hij staat op: ‘Jonge man, rustig en beschaafd, bemint dames tegen vergoeding. Totale bevrediging verzekerd’. Dat had ik in de krant gezet en het had me ruim twintig reacties opgeleverd.
M: Dat kwam dan zeker door dat ‘rustig en beschaafd’.
D negeert haar spot: Rustig en beschaafd ging het er niet aan toe. Bij de kennismaking leken alle vrouwen op dames maar zodra ze zich hadden uitgekleed waren ze meteen ook hun fatsoen kwijt, alsof het in de naden van hun kleren verwerkt zat.
Naakt waren ze meedogenloos. Ready to kill. Klaarkomen is oorlog. Ze zagen me als een dinkytoyboy, een pratende superdildo. Ze zogen de laatste druppel zaad uit me. Als je eens wist wat ze allemaal van me wilden…
M gretig: Wat, wat wilden ze dan van je?
D met een klein lachje: Daar zijn geen woorden voor.
M dwingend: Maak ze.
D: Hoe dan?
M: Verzin ze. Anticipeer. Preludeer. Fabuleer.
D schamper: Varkensleer. Vette peer. Valse sneer, je kont van teer.
M: Neem een voorbeeld aan het woordenboek. De woorden voor kut-sorry-vagina, zijn meestal zoet of zacht of weekdierachtig, die voor sorry-lul dikker en harder. Oftewel; je begint met donzig fluweel en je eindigt met een leeggeschoten geweer.
D klimt weer op zijn barkruk en vervolgt zijn verhaal: Ik werkte me suf. Ik verdiende geld als water dat wegstroomde in de aankoop van mooie spullen, ik sliep in de beste hotels, ik at in de beste restaurants, maar mijn uitputting overtrof mijn genoegen.
M: Varkensleer. Vette peer. Je lul deed zeer.
D: Ik was bekaf. De wereld was voorgoed veranderd. Als ik over straat liep zag ik achter elke voordeur hete lust opvlammen die ik zou moeten blussen. Een schrijver heeft eens gezegd dat hij het een groot wonder vond dat alle vrouwen een…een kut hadden. Mij joeg de gedachte aan dat ontelbare orgasme eerder vrees aan.
M: Vrouwelijke lust is een groot zwart gat, onbekender dan het heelal.
D: En ik ben geen ruimtevaarder.
M opbouwend: Je gaat niet sneller dan het licht.
D: Ik ging steeds langzamer.
M: Je brandstof was op.
D: Ik was nog te moe om een barbiepop te beffen.
M: Arme jongen. Ze aait hem over zijn hoofd.
D: De uitputting was…uitputting is vreselijk… ’s nachts droomde ik niet meer, mijn nachten waren verdwijngaten waarin ik misschien iglo’s bouwde van scherpkantige ijsblokken, want in de ochtend deden mijn spieren pijn en had ik overal kleine verwondingen, sneegewijs.
M: Sneeuwgewijs? Als koude vlokjes? Misschien droomde je, heel licht, dat je een eskimo was?
D: Nee. Mijn dromen waren verdwenen. En dromen zijn spiegels, ze weerspiegelen je daden…
M: Wat zeg je?
D: Dromen zijn spiegels, ze weerspiegelen je daden.
M zonder veel overtuiging: Ah.
D: Zonder weerspiegeling waren mijn daden onwerkelijk geworden en zonder die daden bestond ik zelf ook niet langer echt. Ik was een ander geworden en het was die ander die voortaan de vrouwen maar moest bevredigen, vond ik, niet ik, ik kon niet meer.
M alsof ze een carnavalskraker zingt, maar dan weemoediger: Dit was de laatste keer, nee schat ik kom niet meer, ik heb genoeg, genoeg gehad van jou….
D: Genoeg gehad van jou.
M: Ik nog niet van jou…
D: In gedachten noemde ik die ander Toni. Ik had eerst nog aan Gino gedacht maar dat klonk me te onbetrouwbaar. Te glad. Toni klonk soepel maar niet week. Geen glibberige paling zoals Gino. Toni moest een lady’s man zijn, geen halve miet.
M kan het niet nalaten: Zoals jij?
D rustig: Precies. In hogere versnelling: Toni had koorts in zijn kloten, alle vrouwen waren hem naakt lief, liever dan lief, met hun wulpse oestertjes tussen hun gespreide dijen, hij was altijd hot, hot, hot, zwoel, fel, vurig, starring de supernova-striptease-macho, de krolse paalprins, het oppergezwel, de befkoning van de Lage Landen, the greatest zilt sap slurper ever, noeste snolletjessnotroeier, de mondiale seksgod met de zoetste tong around… De begintonen van ‘How deep is your love’ van de Beegees weerklinken steeds opnieuw. D trekt met hoekige gebaren zijn kleren uit. ‘How deep is your love’’ klinkt nu voluit. D doet al dansend een strakgesneden pak aan. Hij kamt zijn haar achterover, doet aftershave op, gebruikt mondwater, blaast adem in zijn hand, gebruikt nogmaals mondwater. Danst steeds hitsiger. M kijkt het aan tot ze zich niet meer kan inhouden, neemt hem mee naar de bank en trekt hem bovenop zich. Met veel branie begint D met haar te vrijen, M kronkelt onder hem, tot hij plotseling verstart en van haar af rolt. Met een glazige blik in zijn ogen praat D verder: Toni was hot, hot, hot, maar Toni hield zich niet aan zijn afspraken…hij kwam vaker niet dan wel opdagen…hij zat denk ik liever in het casino…ik ontving klachten over hem…hij was dronken naar een klant toegegaan en had haar gekrenkt…het was een oudere vrouw…ze wilde eerst niet zeggen wat er gebeurd was…bleef almaar huilen…maar uiteindelijk vertelde ze het toch…het was een smerig verhaal…hij was begonnen haar te behagen…zo zei ze het; behagen…en was toen blijkbaar misselijk geworden en had tussen haar dijen gekotst…man, man, man, die Toni kon een echte zakkenwasser zijn…hij hield vol dat hij zeeziek geworden was van het geschommel van die vrouw… ze was een ouwe wrakke schuit, zei hij…hij vroeg me zelfs om extra geld, een gevarentoeslag noemde hij het…wat een klootzak…D lacht.
M (herschikt haar kleren) fel: waar slaat dit allemaal op?
D bauwt haar na: Waar slaat dit allemaal op?
M: Praat me niet na.
D: Praat me niet na.
M: Niet doen.
D: Niet doen.
M: Nee!
D: Nee!
M: Jij bent Toni.
D: Jij bent Toni.
M: Jij bent Toni.
D: Jij bent Toni………geeft zijn verzet op: niet.
M: Nee, want jij bent Toni…triomfantelijk: En Toni is een mislukte gigolo. Een gigolofiasco. Een giga-gigolo-fiasco. Toni krijgt hem niet meer omhoog, hè? Hij heeft geen raket maar een halfgare kroket, hè? Nou?
D toonloos: Ik ben geen ruimtevaarder en Toni ook niet, ik ga steeds langzamer en Toni ook, de brandstof is op, op, op, we zien de zon
wel verzengen maar voelen geen vuur, we leven op de as van lijken, onze uitputting is groot, onze lichamen zijn overblijfselen van lichamen, we zijn onze beschermengel uit het oog verloren… smekend: niet elke raket kan toch worden gelanceerd?
M onderbreekt hem: Praat me niet van raketten. Ik wilde daarnet niet naar de maan gelanceerd worden, dromerig: alleen maar een klein beetje opstijgen. Zweven…Scherper: of schommelen als een ouwe wrakke schuit, zoals jij het noemt.
D protesteert zwakjes: Dat was ik niet, dat was To…
M: Houd je mond! Gedoofde ster! Jij bent gewoon een mislukte gigolo en ook nog een mislukte inbreker… Is er eigenlijk iets dat je wel goed kunt? D antwoordt niet.
M: Nou? Ze houdt haar whiskyglas treiterig omhoog: Afwassen, misschien? Laat het glas uit haar hand vallen: Of opruimen? Ze schuift de scherven met haar voet in D’s richting: Of ben je helemaal nergens goed voor? D blijft zwijgen.
M: Stomme eikel. Doofstomme eikel.
D grijpt haar bij haar pols: Ik ben niet doof ik ben niet stom ik ben geen eikel ik heb voor jou mijn hart uit mijn borstkas gehaald en jij hebt het in de sneeuw laten liggen tot het blauw en barstenskoud was, je bent een stom wijf en ik zou je kunnen haten als je niet zo zielig was. Jij vernedert me om je zelf beter te voelen, je tong is een dolk en je prikt er mee in mijn zij en geniet van mijn siddering. Je denkt dat je heel wat voorstelt, hè? Doet alsof hij een vieze geur ruikt: maar ik weet wel beter. Ik ruik een putlucht als ik bij in je buurt kom, een putlucht. Het is de stank van vrouwen waar niemand meer op geilt, de stank van vrouwen die door niemand genaaid worden ook al willen ze dat nog zo graag. Imiteert M’s behaagzieke gedrag: hun maniertjes hebben ze gehouden maar hun pleziertjes zijn ze kwijt, behalve…behalve als ze genoeg geld in hun beursje hebben; money, ping-ping, mucho dinero! Hij sist: betaal me en ik ben de jouwe. Dan doe ik alles voor je, schatje, lekker ding, poesiemauw van me. Tangomuziek weerklinkt. D pakt M vast en danst ruw met haar rond alsof ze een ledenpop is: ik kus je kont, zeg alles wat je graag wilt horen, hij knijpt in haar borsten, kreunt: je bent onweerstaanbaar, onweerstaanbaar, onweerstáánbaar.
M slaat D een bloedneus. D herhaalt wezenloos: onweerstaanbaar goed bloed, onweerstaanbaar goed bloed, onweerstaanbaar goed geil bloed…
M: Stop. D blijft zijn mantra mompelen.
M: Hou op! Hou op! M schudt D door elkaar.
M: Goed. Jij wint. Ik zal je betalen. Geld, juwelen, cheques, wat je maar wilt, zoveel je maar wilt.
D: Pèèèèh! (doet een quizbel na) foute antwoord.
M: Wat wil je dan van me?
D: Ik wil dat je met gelijke munt betaalt. Beschouw het niet als losgeld. Je verhaal zal je geen stap dichter bij je vrijheid brengen. Geen boter. Geen vis…
M weet niet precies waar D heen wil: Ja?
D dreunt op: Het is niet genoeg om de korst van de wond te krabben. Het is niet genoeg om de wond met een verlept slablaadje op te dienen. Mensensaus zien weglekken, is wat ik wil. Het leven is één grote ketchupreclame. Bloed is bewijsmateriaal. Het bloedspoor van de één bewijst aan de ander dat hij op het goede spoor zit. Dat hij leeft. Echt leeft. Haai, bloedhond, vampier! Als jij doodbloed, leef ik op…
M: Je wilt een verhaal horen.
D: Niet zomaar een verhaal. Een verhaal over je man. De man die jou niet lust.
M: Dat zeg jij.
D houdt zijn neus dicht: Ik kan het aan je ruiken.
M loopt naar het tvscherm en zet het aan. Er verschijnt een beeld van een oude man die in bed ligt, vastgeklonken aan een beademingsmachine. Buisjes steken uit zijn neus en armen. Zacht, aanhoudend digitaal gepiep. M en D kijken naar de man.
M: Dat is mijn man. Hij ligt boven in bed. Hij is ziek. Hij verrekt van de pijn. Beroertes, suikerziekte, aderverzakkingen, incontinentie, longfalen vreten aan hem. Hij ligt te wachten op de dood. Hij lust het leven niet meer. Ze stoot een akelig lachje uit: En ik leef… kijkt D uitdagend aan: ik lééf, dus hij lust mij ook niet meer.
D: Het spijt me. Ik heb een scherpe tong soms. Een tong als een roekeloze dolk.
M blijft lachen: Je hebt het geroken, hè? Je hebt een putlucht geroken, de stank van vrouwen die door niemand meer genaaid worden…
D: Het spijt me echt.
M blijft lachen.
M: Je hebt het geroken, hè? Je hebt een putlucht geroken, hè? Een putlucht…ze komt bijna niet meer bij.
D begint een beetje dommig mee te lachen. Dan houdt M abrupt op met lachen.
M: Je hebt het geroken en je hebt gelijk. Je gelijk is groter dan je zelf weet. Groter dan een berg. Groter dan jouw woede. Mijn man lust me inderdaad al lang niet meer. Als D iets wil zeggen legt ze hem met een handgebaar het zwijgen op.
M: Je zult je verhaal krijgen.
Mijn man…Ik ben met hem getrouwd uit liefde. Of beter gezegd: uit pure aanbidding. Hij was een stuk ouder dan ik. Lang en sterk en charmant voor twee. Zoete muziek, stralenkrans om zijn hoofd. Hij was mijn droomprins en daar, in mijn meisjesdromen, had ik hem moeten laten ronddwalen. Maar ik was jong, net achttien en hij vroeg me ten huwelijk en ik zei ja. Ja, ja, ja! Het eerste jaar wás ook net een droom. Ik aanbad hem en hij bezat mij. De betovering van de lust was groot. M sluit haar ogen, houdt haar handen op haar borsten: Hoe vaker we vreeën hoe fijner ik het vond. Ik aanbad mijn man. Als hij op zakenreis was en ik alleen maar even aan hem dacht, zijn lichaam, zijn geur, voelde ik mijn kut al tintelen.
Na een paar jaar werd onze verhouding killer. We vreeën minder en minder en als we een keer vreeën leek mijn man met zijn gedachten bij andere dingen. Vroeg ik hem wat er aan scheelde, dan scheepte hij me met een smoesje af. Hij ging steeds vaker en langer op zakenreis, ik zat steeds vaker en langer alleen thuis.
Zijn koelheid doofde mijn vuur niet. Gloeiend van verlangen wachtte ik tot hij thuiskwam. Tevergeefs. Hij had zijn interesse in mij verloren. Ik deed alles om hem te verleiden maar mijn verleidingskunsten raakten uitgeput. Wat ik ook deed, het wond hem niet op. ’s Nachts lagen we als twee eenzame eilanden in de klamme lakenzee van ons bed. Eén keer was mijn verlangen zo groot dat ik hem terwijl hij sliep begon te betasten en voelde dat hij een stijve kreeg. Pas toen ik bovenop hem was gaan zitten en zachtjes op en neer bewoog werd hij wakker. Zonder een kik te geven liet hij me begaan. Het leek meer op gymnastiek dan op de liefde bedrijven. Een flard dancemuziek klinkt. M Doet een aerobicinstructrice na: Op! Neer! En op! En neer! En op! En neer! Nog een keer! En nog een keer! Mijn genot was klein. Ze denkt even na: nog kleiner dan een aardbei. Over zijn genot durfde ik niet na te denken.
Het zou de laatste keer zijn dat we neukten. Tegen de tijd dat ik eenentwintig werd, was seks met mijn man een wazige herinnering geworden. Voorgoed verleden tijd.
D: Eenentwintig is jong. Te jong om afgedankt te worden. Op je eenentwintigste moet je hart niet vol herfstbladeren zitten, op je eenentwintigste begint alles pas.
M: Hoe oud ben jij?
D: Bijna eenentwintig.
M: Eenentwintig kan soms te oud zijn. Voor mijn man was eenentwintig te oud. Hij viel op meisjes. Op jong en strak en onbevlekt.
D: Waarom ben je niet bij hem weggegaan?
M: In die tijd droomde ik voortdurend van weggaan. Daarna schrok ik wakker en durfde geen beslissing te nemen. Ik bleef ik bij mijn man en paste mijn verlangens aan. Ze lacht. Met de jaren werd ik er steeds bedrevener in.
Mijn erotische hunkering vond een economische uitweg in de liefde. Hoe vaker mijn man me afwees, des te meer liefde voelde ik. Mijn liefde werd door zijn afwijzingen vetgemest als een varken. Van dikke roze-vlezige liefde naar liefdadigheid was daarna nog maar een kleine stap voor mij, mentaal. Ik ging me inzetten voor een weeshuis in Afrika, ik gaf het geld van mijn man uit aan schattige kleine zwarte kindertjes die mager als sprinkhanen waren. Ze ziet D bedenkelijk kijken. Liefdadigheid is natuurlijk een druppel op een gloeiende plaat maar als die ene druppel precies op jou valt is dat mooi meegenomen. Toch? D knikt toegeeflijk. Mijn man vond alles prima zolang ik hem met rust liet. Dat was onze afspraak: ik mijn weeskinderen en hij zijn zaak. Ze voegt er aan toe: en een kamerbreed tapijt van beleefdheid tussen ons in. Ze kijkt om zich heen. Zijn zaak was alles voor hem. Hier, in deze sauna, ontving hij zijn zakenpartners. ‘Een ontspannen ambiance’ noemde hij dat.
D: In wat voor zaken zat je man?
M: Aannemer. Wegenbouw.
D kijkt om zich heen: Dus hier werden lucratieve handeltjes afgesloten…Wijst naar een fles: met gratis champagne als glijmiddel….Wijst naar een pot op tafel: gratis kaviaar…Grijnst: en wat was er hier nog meer glibberig en gratis?
M geagiteerd: Ik was nooit thuis als het gebeurde. Moest dringend op reis voor het weeshuis. Druppels op gloeiendhete plaat mikken voor die arme naar voedsel snakkende kindertjes. Krioelende sprinkhaantjes met olleke bolleke hongerbuikjes. Geen ouders, geen eten, geen school, geen toekomst. Niets. Hitte. Stof. Armoede. Ontelbare nood. Deerniswekkend gebrek.
D: Je wist ervan, hè?
M: Deerniswekkend gebrek. Maar het was mijn zaak niet.
D: Niet je zaak, wel je huis. En je man.
M: Ja. Er kwam een moment…Twee jaar geleden, na zijn beroerte…Hij lag net in het ziekenhuis…Ik zocht naar verzekeringspapieren op zijn studeerkamer… Verzekeringpapieren… In plaats daarvan vond ik stapels videotapes… Die hufter had alles vastgelegd op tape…Als chantagemiddel misschien…Of om nog eens te kunnen nagenieten…Godver…Wat ik zag was erger dan ik me had voorgesteld…Jonge meisjes… Kinderen nog… Met borstjes als doperwten… En dan…Die oude uitgezakte mannen die op ze inbeukten…Met een vette grijns op hun smoel…Ik spoelde de tape een stuk door…En herkende mijn man …Hij duwde een champagnefles naar binnen bij een meisje dat op de bar lag…Terwijl andere mannen om hen heen stonden en zich op haar aftrokken terwijl zij….Ze huilde. In het laatste shot keek mijn man recht in de camera. Hij keek me recht aan. Met een triomfantelijke blik…Een jager die poseert met een laars geplant in de flank van een hertje…Het roofdier met zijn prooi. M fluistert D iets in zijn oor.
D: Wat een smeerlap!
M: Je kunt geen smeerlapperij zo erg bedenken of het bestaat.
Ik heb het allemaal op tape.
D legt zijn hand op haar arm: Waarom ben je niet naar de politie gegaan?
M: Ik dacht dat hij snel zou sterven.
Ze kijken naar de man op het scherm.
D: Hij ziet er wel zwak uit.
M: Hij is zwak. Heel zwak, zelfs. Als er ook maar iets (ze knipt met haar vingers) gebeurt is het met hem gedaan.
D: Net als bij mijn moeder.
M: Alleen gebeurt er nooit iets.
D: Dat hoeft niet zo te blijven.
M: Hij ligt al twee jaar gaar te sudderen. Ik word er gek van.
D: Dat hoeft echt niet zo te blijven. Hij is zwak. Heel zwak. Als er ook maar iets (hij knipt met zijn vingers) gebeurt is het met hem gedaan, net als bij mijn moeder. Er valt een stilte.
M: Je moeder…heb jij..? (ze knipt met haar vingers)…echt waar? (ze maakt al vingerknippend het gebaar van hals afsnijden): Meen je dat?
D knikt en zegt bijna onhoorbaar: Ja. Hij blijft met zijn vingers knippen. M neemt het gebaar van hem over. Bossanovamuziek. Samen knippen ze, al dansend, met hun vingers.

Daarna staan ze stil, naast elkaar. M reikt D haar hand. Het licht dooft uit. Een paukeslag, een bliksemflits. Tijdens de flits maken D en M tegelijkertijd een sprongetje; ze’flashen’ vooruit in de tijd. Het licht gaat langzaam weer aan.

M: Mijn man is doodgegaan. De rest van mijn leven zal hij dood zijn.
D: We hebben hem niet vermoord.
M: Nee.
D: Echt niet, no way.
M: We hebben alleen maar voor hem gezongen.
D: Een lekker stukje hardrock. Keiharde muziek. D en M zingen: ’De hel, de hel, de hel, dat ben je zelf’.
D: En toen stierf hij plotseling.
M: Zijn hart kon het niet aan.
D: Zijn hart gaf het gewoon op.
M: in feite hebben we hem uit zijn lijden verlost.
D: Je zou het gerust liefdadigheid kunnen noemen.
M: Liefdadigheid. Hij heeft een mooie begrafenis gekregen. En drukbezocht ook. De hele familie was er. Iedereen. Massa’s bloemen in alle kleuren van de regenboog. En veel toespraken, van oude vrienden en collega’s van mijn man, die tranen in hun ogen hadden tijdens hun toespraak. Het was een bijzondere dag, van begin tot eind.
D: Vergeet vooral de videoshow niet, waarin trouwens heel wat van die oude vrienden en collega’s voorkwamen.
M: Naakt.
D D: Snikkelnaakt.
M: Snikkelnaakt gefilmd terwijl ze om een meisje heen stonden dat een champagnefles in haar baarmoeder geduwd kreeg en zij zich op haar aftrokken.
D: Met dank aan de dierbare overledene.
M: Een opschudding dat de video gaf.
D: Scheldpartijen.
M: Bedreigingen.
D: En een hoop rechtszaken.
M: Gevangenisstraf.
D: Echtscheidingen.
M: Diverse faillisementen.
D: Werkeloosheid.
M: Het leven is zwaar.
D: Het leven is verpletterend zwaar.
M: Maar destructie kan ook genade voortbrengen.
Pianomuziek.
M: Toen ik die tapes had bekeken was ik er kapot van. Mijn man lag in het ziekenhuis, op de intensive care, maar ik ben niet meer naar hem toe gegaan. Ik bleef thuis, met de gordijnen dicht. Ik nam de telefoon niet op. Dagenlang zat ik in een stoel en dacht na. Elke keer dat ik aan mijn man dacht groeide mijn woede. Als hij niet zo ziek was geweest had ik hem met mijn blote handen gewurgd. Ik walgde van hem. Maar ik wist goed dat hij niet de enige schuldige was, dat ik ook schuldig aan zijn gedrag. Ik had hem tot mijn god gemaakt. Een Opperwezen. Onvoorspelbaar. Zeus op de berg. Goden zijn almachtig, ze kunnen zich alles veroorloven, hebzucht, bedrog, verraad, geilheid; ze kijken echt niet op een uitspatting meer of minder.
Dertig jaar lang had ik mijn man de ruimte gegeven om zijn grillen uit te leven. Hij had die ruimte uitgebuit. Er een stal van gemaakt. En er vorstelijk van genoten. Zijn triomfantelijke smoelwerk op de video bewees het.
Als ik terugkijk lijkt een leven zonder liefde op het vagevuur…Een huid- en hartblakerende kwelling…Ik zie het heel helder, nu…Uit angst om alleen te zijn ben ik dertig jaar alleen geweest… Als dat geen zieke grap is… Waarom lach je niet? (D haalt gegeneerd zijn schouders op)…Nou ja, leedvermaak is ook niet alles.
Toen ik die video’s bekeken had was ik kapot …Mijn enige hoop was nog…De hoop dat mijn man snel zou sterven. Ze lacht bitter: als hoop eetbaar was waren we allemaal vette varkens. Pauze. Op een avond werd het me teveel. Buiten zinnen liep ik het huis uit. Uren heb ik op een brug gestaan. Ik wilde in het water springen. Maar ik had het lef niet. Ik was bang dat doodgaan pijn zou doen. Ik ben een schijtlaars.
D: Of je wilde toch maar liever niet dood. Het leven kan mooi zijn…natuurlijk moet je hindernissen nemen voordat je kunt zien hoe mooi het leven is. Maar waarom zou je je daardoor laten weerhouden? Generaal Patton heeft gezegd: ‘de nazi’s zijn de vijand, waad dwars door ze heen’. Waad dwars door ze heen!
M: Ik had die nacht niet de kracht om door een nazi heen te waden. Op weg naar huis kwam ik langs een parkje en daar ben ik gaan zitten. Het kon me niet schelen of ik lastig gevallen zou worden, zo mismoedig was ik. Ik ging op een bankje zitten en keek omhoog naar de sterren en toen gebeurde er iets: er viel een druppel op mijn voorhoofd. Ze pakt D bij zijn arm: Het was een regenbui van maar één druppel. Eén fantastische, volkomen regendruppel. Ik wist onmiddellijk dat het een voorteken was.
D: Hoe wist je eigenlijk dat het een regenbui van één druppel was…hij denkt na: en niet de traan van een leeuwerik, of het voorvocht van een beschermengel? Hij grijnst om zijn vondst.
M: Speciaal voor jou zal ik er een multiple choice verhaal van maken: Het was nacht. Ik een schijtlaars, mijn man een seksmonster. Intens bedroefd zat ik op een bankje in het park en keek omhoog naar de sterren tot er een druppel op mijn voorhoofd viel. Het was a) een regenbui van één druppel, b) een traan van een leeuwerik, c) het voorvocht van een beschermengel. In elk geval was het een voorteken.
D: Waarom was het een voorteken?
M: Waarom? Daarom! Omdat ik dat nodig had. Nodig om door te kunnen gaan met leven. Dat is de enige reden. De werkelijkheid is wat je er zelf in ziet. Gebruik je fantasie.
D: Dan kies ik voor antwoord c.
M: Goed, dan is dit voortaan mijn verhaal: het was nacht. Schijtlaars, seksmonster. Ik zat op een bankje in het park en het duister in mijn hart wist van geen wijken tot er plotseling een druppel op mijn voorhoofd viel. Het was het voorvocht van een beschermengel. Ik wist het zeker. Het kon niet anders dan het voorvocht van een beschermengel zijn! Ze kijkt omhoog en tikt op haar voorhoofd: Tak! Midden op mijn voorhoofd. Soms moet een mens geluk hebben.
D: Geluk?
M: Geluk.
Er klinkt muziek zoet als engelenzang. M en D kijken omhoog. Het plafond van het theater verandert in een sterrenhemel.
D peinzend: Een beschermengel doet me altijd aan een astronaut denken.
M: Aan een astronaut…
D: Een aapmens die door de ruimte zweeft met de melkweg op zijn nek.
M lacht.
D: Een eenzame voorpost van onze eenzame beschaving.
M: Een wereldburger.
D: Op zoek naar betere mogelijkheden en vers licht en nieuwe plannen.
M: Astronaut…
D: Eindelijk verlost van het gekrioel op aarde.
M: Astronaut!
D: Zijn daden zijn niet van hem alleen.
M: Hij is als wij, maar dan lichter.
D: Net als wij, maar dan iets lichter.
M: Ietsje lichter.
D: Niet meer dan een stofje.
M: Kosmisch geaarzel.
D: Snel weg. Zo snel weg.
Ze blazen alsof ze de wind zelf zijn.